”IK WAS BOER, BRANDWEERMAN, KERKVOOGD EN VERZEKERINGSMAN”

‘De lelijkste plek van Nuenen’ wordt de plek waar zijn geboortehuis stond nu wel eens genoemd. Menig Nuenenaar kan zich nog herinneren dat er op die foeilelijke plek op de Berg, met een afgedankt garagecomplex, fabriekshal en bovenwoningen vroeger een boerderij stond (net voor het voormalige gemeentehuis, dat nu in gebruik is als chinees restaurant). Het was de boerderij van de familie Huizing. Op 3 maart 1921 werd Gerard Huizing daar geboren. Hij is inmiddels een eind in de zeventig, maar dat is hem niet aan te zien. Hij maakt een vitale indruk. Hij is volop in actie en heeft niets van een gepensioneerde. Hij is lang, zijn krullende kuif laat hem nog langer lijken. Hij straalt een soort rust en overwicht uit.

Gerard Huizing was de oudste van de drie kinderen van het gezin. Zijn familie behoorde tot de destijds zeer kleine groep protestanten in Nuenen. ,,Oorspronkelijk komt onze familie uit Groningen, maar ik ben al van de vierde generatie Brabanders. Ik denk dat onze familie uit armoede naar het Zuiden is getrokken. Mijn vader is op de boerderij op de Berg geboren,” vertelt Gerard Huizing. ,,Eerst was het een langgevelboerderij. Die stond in de lengte langs de weg. In 1926 werd de oude boerderij gesloopt en werd er een nieuwe gebouwd, dit keer haaks op de weg.

We hadden niet veel grond bij de boerderij zelf. De grond lag op de plaats waar nu de gemeentewerf staat en de hallen van Raessens aan de Weverstraat. De rest van onze grond lag verspreid in Nuenen, aan de Lissevoort, de Boordseweg en de Broekdijk. De grond aan de Boordseweg heette de Heikampen: de voorste, middelste en achterste Heikampen. We hadden een stuk of zes koeien. Vroeger ging dat prima, een boerderij midden in het dorp.”

Berg 27: Deze boerderij van Welstand wordt in 1926 gebouwd op de plaats van een andere boerderij, eveneens van Welstand. De familie Huizing woonde er tot 1961. In 1969 werd de boerderij gesloopt na 8 jaar leegstand. Thans is hier het van Gogh Village museum gevestigd, geopend in 2023 door koningin Maxima.

Tijdens de jeugdjaren van Huizing was het Nuenens centrum niet meer dan één lange straat vanaf de Lindeboom tot het Park. Daar omheen lagen boerderijen met weiden. In het noorden gingen de weiden over in broekland, in het zuiden in heide. De meeste grond van Huizing lag richting Nuenens Broek: ,,Het Broek was groter dan nu. Na de weiden kwamen de broekgronden. Daar stond schaarhout op walletjes en er tussendoor liepen sloten. Schaarhout waren vooral elzen en wilgen. Die werden om de tien of twintig jaar kort gezaagd. Het hout werd samengebonden tot een mutsert (bundel samengebonden takken). Achter ons huis werden de mutserts opgebouwd tot een mutsertmijt. We gebruikten dat hout om de kachel mee te stoken, bij ons thuis en ook in de kerk, want ons vader zat in de Kerkenraad.” Het hout werd ook gebruikt om de oven in het bakhuis te stoken: ,,Je stookte totdat de stenen boven de oven wit waren, dan was de oven warm genoeg. In de ruimte boven de oven werden appels gedroogd en onder de oven werden de aardappels bewaard.” Het broodbakken was een ritueel dat aan vader Huizing was voorbehouden: ,,We lieten het graan in de molen malen en dan ging het in de trog. Ons vader waste zijn voeten en stapte in de trog. Hij trapte tot het deeg goed was en dan werd het brood in de oven gestoken.”

Veel huizen in en rond het dorp heeft Gerard Huizing in zijn jeugdjaren gebouwd zien worden: ,,Bijvoorbeeld het huis van de oude dokter Wolters aan de Broekdijk. Dat werd gebouwd in opdracht van burgemeester Van Rijckevorsel die er eerst gewoond heeft. Wij hadden er een wei vlak achter, dus ik kon de bouw goed volgen. Ik weet nog dat de familie Nolte kwam wonen op ‘Issola bella’ aan de Papenvoort. Ik moest daar ‘s morgens melk gaan brengen en de jongens Nolte meenemen naar school. Daarvoor heb ik van mevrouw Nolte mijn eerste fototoestel gekregen, een boxje; en daar heb ik in de oorlog nog foto’s mee gemaakt.” De boeren vooraan in de Papenvoort werden als naaste buren beschouwd: ,,De boerderijen van Jan Knoops, Piet Beks en Dijstelbloem waren de laatste woningen aan die kant van het dorp. We hielpen elkaar als dat nodig was.”

Omdat de familie Huizing protestant was, ging Gerard naar de openbare school: ,,Toen ik er op kwam, gaf meester Linders aan alle klassen les. Later kwam juffrouw Tempelman erbij voor de lagere klassen, maar bij haar heb ik niet meer gezeten. Er zaten vrijwel alleen protestantse kinderen op de openbare school en kinderen die geen godsdienst hadden. En verder enkele katholieke jongens die op de jongensschool waren weggestuurd.” Pas later, toen Gerard van school af was, kwam er in Nuenen een protestantse school bij, de dominee G.F.C. Bakkerschool: ,,In die tijd werden de mensen zich meer protestant bewust en wilden een eigen protestante school. Bakker was toen dominee hier en hij heeft zich er enorm voor ingezet. Ook Van Heyst, een boer die zelf geen kinderen had, heeft zich er voor ingezet dat de school er kwam.” Na de lagere school ging Gerard naar de landbouwschool in Tongelre: ,,In Nuenen kon je alleen een landbouwcursus doen, die gaf meester Van de Schoor. Op de landbouwschool had je twee dagen school en de rest van de week kon je thuis werken. 

De kinderen Huizing, van links naar rechts: Gerard (Gerrit), ?, Anneke. De foto is gemaakt voor hun boerderij aan de Berg.

Vader was laat getrouwd, hij werd al wat ouder en kon dus wel wat hulp gebruiken. Je snapt dat nu niet, maar vroeger hadden ze een meid en een knecht en dikwijls nog arbeiders. We lieten het graan maaien en er was nog een oude oom bij ons. Je zou denken dat er volk genoeg was, maar toch konden we het allemaal nog niet bewerkt krijgen. Alles moest met de hand en met het paard en dat kostte veel tijd. Ik heb het zo ook nog aangeleerd.”

Hoe druk het ook mocht zijn op het land, als de grote klok van de Clemenskerk, de brandklok, luidde, spande vader Huizing zijn paard uit kar of ploeg en ging spoorslags in galop terug naar de Berg: ,,Mijn vader was destijds al bij de brandweer. Het was zijn taak om de brandweerspuit van de Berg te rijden. ‘Courrier te paard voor het zoo noodig afhalen der buitenbrandspuiten’ luidt de tekst op de benoemingsakte die hij met ingang van november 1926 van de gemeente kreeg. Op verschillende plaatsen in de gemeente stonden brandweerspuiten, op het Boord en Opwetten, in Nederwetten en ook naast ons huis, achter het gemeentehuis. Als kleine jongen genoot ik van alles wat met de brandweer te maken had. Elke brandweerman heeft ook iets van een pyromaan in zich. In het Park vond ik een luciferdoosje en thuis pakte ik twee lucifers weg. In het Broek heb ik riet aangestookt en dat wilde wel branden! Het zat er bij mij dus al vroeg in.”  Huizing moest wachten tot 1942 voor hij zelf bij de brandweer mocht. Drie jaar daarvoor, in 1939, had de gemeente het eerste gemotoriseerde voertuig voor de brandweer gekocht: ,,Een luxe wagen, een Chrysler van een jaar of acht oud. De gemeente kocht die van De Rooy. De auto werd omgebouwd tot brandweerauto. De spuit kon er achter gehangen worden. De auto was te klein voor het hele korps. Vaak kroop ik tegen de motorkap, op het spatbord, dat was lekker warm. Achteraf zijn die beginjaren wel de meest interessante jaren bij de brandweer geweest. Je maakte van alles mee, je was jong, avontuurlijk.” Voor de oorlog zijn er op diverse plaatsen in Nuenen putten geslagen, ‘norton putten’: ,,Ze waren zo’n veertig meter diep en er stond altijd water in. Op die manier was er overal in het dorp aan water te komen. Op de Berg onder de lindeboom, tegenover de winkel van Crooymans, is er ook een geweest. Je moest er voorzichtig mee omgaan. Als je het water er te snel uit pompte, stroomde het grondwater niet snel genoeg terug in de put en had je geen water.”

Koninginnedag 1932: De jongens en meisjes zijn door hun moeder netjes opgesierd. Natuurlijk voerde de kleur oranje de boventoon. Ook de driekleurige vlaggetjes ontbraken niet. De foto is gemaakt in de grote tuin van Houtrijk. Op de bovenste rij, van links naar rechts: Duc Hardenbroek, Coos Nolte, Frans Linders, Louis Linders, Louis Nonnemaker, Gerard Huizing en Boerke Swinkels. Op de onderste rij: Jopie Nonnemaker, Loes Hardenbroek, Trien Swinkels, Cor Linders, Tinus Anderegg, Gerrit Huizing, Pim Anderegg en Piet van Wijk.

Voordat de oorlog begon, werd de luchtbescherming ingesteld en daar was Huizing ook bij: ,,De luchtbescherming werkte dag en nacht, met vrijwilligers. Een ploeg zat in de kerktoren, een andere ploeg bemande het gemeentehuis. Er was een directe telefoonlijn van de toren naar het gemeentehuis. Pas later in de oorlog werd het verplicht, toen werd er ook gewerkt met oud-militairen. Het fijne weet ik daar niet van. Want toen ik bij de brandweer ging, moest ik stoppen met de luchtwacht. Een van die oud-militairen, die voor de luchtbescherming op het raadhuis zat, was De Laat. Hij wilde een projectiel demonteren, het ding ging af en De Laat kwam om het leven.” ,,We moesten ‘s avonds tegen acht uur de toren in van de Clemenskerk en daar bleven we tot ‘s morgens zes uur. Je hoorde de vliegtuigen al van ver, van boven de Peel aankomen. Als we iets zagen, gaven we dat door. Je moest dat later ook aan de Duitsers doorgeven, want die wilden er als de kippen bij zijn om als eerste bij de gevallen Engelse vliegtuigen te zijn. In het Broek viel eens een Amerikaans vliegtuig en daar waren de NSB’ers het eerste bij. De piloten moesten dus wel aan de Duitsers worden overgedragen. Maar het is ook wel eens gelukt om er eerder dan de Duitsers te zijn en dan kon de ondergrondse zich over de piloten ontfermen.” Boven in de toren galmde de klok elk half uur: ,,Dat was een hels kabaal! Maar als ik moest waken, duurde dat nooit lang, ik lichtte de klepel op, zette er een plankje tussen en dan hoorden we hem de hele nacht niet meer.”

Maandenlang is Huizing pijnlijk herinnerd aan een misstap: ,,Helemaal boven in de toren was een luikje, bedoeld voor de leidekkers. Daar wilde ik wel eens gaan kijken. Maar het luikje schoof naar beneden en viel van de toren. Later vonden mijn maat en ik het op het kerkhof, maar we hadden geen zin om weer helemaal naar boven te klimmen. Het is er niet meer van gekomen. Jaren later, als ik op de akkers aan het ploegen was, en ik keek naar de toren, zag ik weer dat gat. En dan dacht ik steeds ‘Gadsjemeine, dat heb ik gedaan!’ Dat vergeet ik nooit meer.” De Duitsers bemoeiden zich niet met het beleid van de brandweer, wel met dat van de politie: ,,Dat was erg. Het ‘gajes’ van Nuenen werd benoemd tot Landwacht. Ze moesten onder andere patrouilleren in de Akkers. Voor de oorlog waren het stropers en ze gingen als Landwacht gewoon door met stropen. Je moest er vooral ’s avonds voor uitkijken. Ik had indertijd verkering en dan fietste ik zonder licht binnendoor naar huis. Ik heb nog eens een angstig half uurtje gehad, toen ik uit het steegje naast de pastorie tegenover ons huis kwam. Ik zag naast ons huis een schim staan en die bewoog niet. Ik heb een hele tijd staan achten en dat deed die schim ook. Toen het echt te lang ging duren ben ik toch maar de weg overgegaan. Het bleek onze overbuurjongen, Piet van Overbruggen te zijn. Die was net als ik op vrijerspad geweest. We waren alle twee voor niets een tijd bang geweest.”

Tijdens de oorlog moest de brandweer nogal eens uitrukken: ,,Er viel een serie brandbommen {3}. Je moest er dan ‘s nachts uit, ook al was het spertijd. Dat waren mijn eerste ervaringen als brandweerman. Op het Eeneind was een luchtgevecht tussen de Duitsers en de Amerikanen. In de Pastoorsmast stortte ‘s nachts een Engels vliegtuig neer. Daar reed ik achter op de motor van Roberts naar toe. Roberts was gemeenteambtenaar en de eerste administrateur van de brandweer {4}. Ook stond de schoorsteen van het gemeentehuis eens in brand. Harry Schafrath zag het en riep ons. Mijn broer en ik hebben thuis een blusapparaat gepakt en hebben een deur van het gemeentehuis ingetrapt om binnen te komen. De brandweer kwam later en heeft de zaak nageblust.” De meest spannende, indrukwekkende en akelige oorlogservaringen van Huizing speelden zich rond de bevrijding af: ,,In Son waren de Amerikanen geland, hier heerste een sfeer van bevrijding. We hoorden dat de Duitsers terugkwamen, dus wilde ik naar huis. In de Weverstraat grepen de Duitsers me in de kraag. Ze namen me mee naar ons thuis, want ze wilden melk, boter, kaas en mijn fiets. Ze namen ook een landkaart mee. Later zochten ze een huis met een kelder. Ik loog dat wij geen kelder hadden. Ik wees ze de bomvrije kluis die in het gemeentehuis was gemaakt, maar daar namen ze geen genoegen mee. Toen heb ik ze maar naar het domineeshuis gebracht, want ik wist dat daar niemand thuis was. Er kwamen ook SS’ers die partizanen zochten. Ik zei dat die er niet waren, maar ik wist wel beter. De ondergrondse had de NSB’ers al opgehaald, die waren in het huis van de burgemeester aan de Broekdijk opgesloten. Mijn broer is er nog ternauwernood aan de dood ontsnapt. Hij moest daar zijn en toen werd er op hem geschoten. De volgende morgen vroeg kwam een buurman om melk vragen. Een Duitse luitenant hoorde dat en raakte geïrriteerd. We moesten de handen omhoog steken en ‘vort marschieren’. Voor Nune Ville stond een Duitse tank en daar moesten we naar toe lopen. We dachten op dat moment dat het met ons gedaan was. Opeens riep de luitenant ‘Schweinehunde machen Sie vort’ en konden we naar huis. Vanuit de Dubbestraat werd er geschoten richting het domineeshuis. Blijkbaar wisten de Engelsen dat daar Duitsers zaten. Gelukkig werd het huis gespaard. In de tuin zat een hele rij granaatgaten. Die avond rookte het overal, maar de Duitsers waren vertrokken. Zoetjesaan werd alles weer opgebouwd en hernam het gewone leven zijn gang. Tijdens de oorlog functioneerde de gemeenteraad niet. Na de bevrijding werd er een noodraad {30} benoemd om de verkiezingen van de nieuwe raad voor te bereiden. Ik werd daar ook voor gevraagd. We hebben de eerste maanden na de oorlog de gemeente bestuurd, tot de nieuwe raad geïnstalleerd kon worden.” Vader Huizing was actief binnen de protestantse gemeenschap en dat zelfde werd van zijn kinderen verwacht: ,,Dominee Plug kwam vragen of ik het onderricht op de ‘s zondagsschool op me wilde nemen, maar dat deed ik liever niet in Nuenen. In die tijd vormde Nuenen samen met Geldrop een protestantse gemeente. Zodoende heb ik mijn schouders gezet onder de ‘s zondagsschool in Geldrop. Daar heb ik ook mijn echtgenote, Caatje Stam, leren kennen. Dat was nog voor de oorlog. Later ben ik zelf in de kerkenraad gekomen, ik ben kerkvoogd geweest en later Diaken.”

Brandweerauto in 1942: Foto gemaakt op het kerkplein van de H. Clemenskerk te Nuenen. De oude Chrijsler uit 1931 wordt in 1941 omgebouwd tot trekker en manschappenwagen.
1ste rij: J. van Maasakkers, W. van Keulen, J. van Lieshout, H. Weick, J. van Rooij, P. Pijs, K. de Kruijff, Jac de Vries, G. van Engeland, Jos de Rooij en Jac Smeulders.
2de rij: J. Prinsen, Fr, Raessens, P. Beks, H. Smulders, M. van de Griendt, Gerard Huizing, A. Coolen en A. van Lieshout.

Gerard Huizing trouwde in 1952 en bleef op de boerderij wonen: ,,We wilden eerder trouwen, maar ik moest wachten op mijn zus. Zij had ook trouwplannen, maar geen huis. Het was in die tijd niet gemakkelijk om aan een huis te komen. Zelfs kamers krijgen lukte haar niet. Toen mocht ze een huis bouwen in de Lindelaan, de Boterstraat heette de straat toen nog. We zijn veertien dagen na elkaar getrouwd.” Tegenover de (voormalige) boerderij van Huizing stonden, en staan nu nog, twee monumentale panden. Beide waren eigendom van de protestantse kerkgemeenschap: ,,Eerst woonde de dominee in het domineeshuis, maar Nune Ville was eigenlijk een veel beter huis. Daarom wilde dominee Van de Burgt daar wonen, toen hij in Nuenen kwam. In het huidige domineeshuis kwam toen een familie Kloppers wonen, een oud-militair. In het domineeshuis hebben om de een of andere reden altijd veel schilders gewoond.  Half jaren vijftig deed ik als kerkvoogd het financiële en bouwkundig beleid voor de kerk. De panden waren een blok aan het been. Het onderhoud was te duur voor zo’n kleine protestantse gemeente. We vroegen elk jaar subsidie bij de Monumentenzorg, maar die kregen we niet. Griffioen zou als dominee naar Nuenen komen. We wilden een goed huis voor onze dominee. We startten een actie om geld voor de restauratie van het domineeshuis bij elkaar te sprokkelen. Toen werd ik op een dag in 1957 naar het gemeentehuis geroepen. Daar zat ingenieur Van Gogh, een neef van Vincent, en iemand van de kerk. Ze wilden een organisatie op touw zetten om het domineeshuis, het Van Goghhuis, te restaureren. Het zou tachtigduizend gulden gaan kosten. De Monumentenzorg nam de helft voor zijn rekening, de andere helft werd betaald door gemeente, provincie en Van Goghstichting. Toen was de restauratie rond en wij hoefden alleen ‘dankjewel’ te zeggen. Het gerestaureerde huis werd officieel geopend. We hebben een Van Goghtentoonstelling gehouden. Daarvoor hebben we de beschikking gehad over vijf echte Van Goghs!” De Van Goghstichting wilde Nune Ville kopen. ,,We hadden dat huis eigenlijk niet nodig.” Kloppers, die eerst in het domineeshuis woonde, verhuisde naar Nune Ville. Het kerkje aan de Papenvoort werd ook gerestaureerd: ,,Dat zal iets later geweest zijn. Het werd met giften uit de protestantse gemeente betaald. De eerste die over de brug kwam, was de barones, mevrouw Hardenbroek, zij schonk banken. Noordhof schonk de glas in lood ramen en Nolte de elektrische aansluitingen.”

Gerard Huizing neemt afscheid van de brandweer in 1982

Het verschil tussen de katholieken en protestanten heeft Huizing nooit gezien of willen zien: ,,Ook wij zagen het als onze plicht om elke week naar de kerk te gaan. Als je niet ging, hoorde je er niet echt bij. Het ging altijd buitengewoon goed onder elkaar. Ongeschreven wet was, dat je met je katholieke buurmeisjes wel mocht gaan schaatsen, maar er geen verkering mee mocht hebben. Wij hadden onze eigen verenigingen en de katholieken die van hen. Een verschil was ook, dat bij onze toneelvereniging jongens en meisjes meespeelden. Ieder jaar was er een uitvoering, eerst in de zaal waar nu de Viersprong zit, later in de Vank. We kregen toestemming voor het gebruik van de zaal van pastoor Aldenhuijsen. Maar we mochten niet bekend maken dat er een uitvoering was. Want de katholieken mochten niet naar ons gemengde spel komen kijken.”

Gaandeweg werd de brandweer de grootste ‘hobby’ van Huizing: ,,Toen ik erbij kwam, waren er tien brandweerlieden. In 1959 waren dat er twintig. Het materieel veranderde in die tijd sterk, alles werd moderner.” Huizing werd in 1976 commandant en stopte in 1982 als brandweerman. Hij kan nu terugzien op veertig jaar bij de brandweer en heeft er veel herinneringen aan: ,,De mooiste brand die ik heb meegemaakt was de brand van de kerk in Son, in 1958. Dat was het grootste vuurwerk dat ik ooit van dichtbij heb gezien. Alle korpsen uit de omgeving moesten komen en werden ingezet. De brand was in de toren en geen mens kon zo hoog komen met de stralen. De toren stond helemaal in brand en de spits ging krommen. Het was een geweldig vonkenwerk. De brandweer moest zich terugtrekken omdat de toren zou gaan vallen. Toen het zover was, moesten we massaal naar voren en spuiten, om te voorkomen dat de huizen zouden gaan branden. Heel indrukwekkend was ook de grote bosbrand in Leende. Je hoorde het vuur als het ware stormen. In een ommezien vloog het vuur over de bossen heen.” Als brandweerman maak je soms rare dingen mee: ,,Je ziet altijd van alles, wat je eigenlijk niet mag zien. Brand komt onverwacht, dus er wordt niet voor ons opgeruimd als we komen. We zijn ook eens bij een brand geroepen op het kasteel Soeterbeek.  Daar stond in een schuur prachtige huisraad uit een onverdeelde boedel. Mensen uit Woensel hadden daar lucht van gekregen en organiseerden een feestje in de schuur. Ze dineerden met het tafelzilver, totdat ze door onvoorzichtigheid brand veroorzaakten.” ,,Als commandant kom je voor verantwoordelijkheden te staan, die je niet altijd kunt overzien. Bijvoorbeeld in Eindhoven, toen het Chicagotheater aan de Rechtestraat naast V&D afbrandde. Onze mannen zaten bij V&D boven klaar om te spuiten als de brand door zou slaan. Dan vraag je je af, hoe lang ze daar mogen blijven. Je moet wel eens risico’s nemen, maar die moet je ook beperken. We lachen er onder elkaar over en zeggen ‘Een brandweerman moet veel geluk hebben en 10% mag sneuvelen’. Gelukkig hebben wij nooit te maken gehad met ernstig letsel binnen het korps. In al die jaren zijn er twee burgers verbrand. Bij ongelukken moet je assisteren en dat is niet altijd een pretje.”

Vaarle 1: Gesloopt in 2010. Bewoners waren de families Marinus Klomp en Gerard Huizing

Nuenen breidde uit en Huizing zag dat hij met zijn vee midden in het dorp geen kant uit kon: ,,De boer die hier op Vaarle zat, stopte ermee en ik heb dat bedrijf overgenomen. Maar na een aantal jaren moest er ook hier wat gebeuren. Ik stond voor een keuze: een nieuwe stal bouwen of stoppen met boeren. Wij hebben een zoon en een dochter, maar geen van beiden wilden de boerderij overnemen. Wat heb je eraan om een nieuwe stal te bouwen, als je niet weet voor wie je het doet. Ik was 45 jaar en besloot om in de verzekeringen verder te gaan. Ik heb de grond rondom de boerderij verkocht en ben me meer op de verzekeringen toe gaan leggen.” ,,Ik ben nu zeven jaar met pensioen. Ik ben nog wel lid van de personeelsvereniging van de brandweer. Mijn kinderen zijn inmiddels de deur uit, maar ik mag nog regelmatig bij ze komen klussen. Ik heb nog genoeg te doen.”

Een boekbespreking van “50 jaar vrijwillige brandweer in Nuenen” van Gerard Huizing over de vrijwillige brandweer In Nuenen in de Drijehornickels kunt u lezen door hier te klikken.

Dit artikel is afkomstig uit het boek “Nuenense herinneringen”, een stukje Nuenense geschiedenis, verteld door 24 Nuenenaren, geschreven door Jeannette Daamen (1994)