IK HAD EEN EIGEN VOETBALELFTAL

Nelleke Coolen-Kuijten kwebbelt aan een stuk door. Dokter Anderegg zei eens tegen Nard Coolen: ,,Als jouw Nelleke niet meer ‘tettert’, moet je eerst naar de pastoor lopen en dan pas naar mij. Want dan zal het wel afgelopen zijn met Nelleke.” Nelleke is 82 jaar en ze ‘tettert’ nog steeds. Het is maar een klein vrouwtje en het is moeilijk om je voor te stellen dat zij de moeder is van veertien kinderen. Ze heeft hard gewerkt om ze alle veertien ‘op hun plaats te krijgen’, maar nu neemt ze het ervan. Trots vertelt ze dat ze al zeven keer naar Canada is geweest, en vorig jaar zelfs naar Honduras. Sinds haar echtgenoot Nard is overleden gaat ze alleen: ,,Ik ken geen spat Engels, maar ik kom altijd goed terecht,” lacht Nelleke. “Ik reis graag. Vroeger moest ik altijd thuis blijven. Als ik nu de kans krijg, vlieg ik eruit.”

Nelleke Coolen-Kuijten

Nelleke werd geboren op 27 juli 1911 op het Eeneind (Oude Dijk 7). Ze was enig kind: ,,Dat kwam vroeger niet veel voor, maar mijn moeder was al veertig toen ze trouwde. Ik had het heel goed. We waren welgesteld, maar het was niet gezellig, ik was altijd alleen. ” De omgeving, het Eeneind, vond Nelleke wel gezellig: ,,Iedereen kende elkaar, je hing aan elkaar. Als er iets was, ziekte of een sterfgeval, was iedereen bereid te helpen. Ons moeder stuurde mij vaak naar een huishouden in de buurt, waar ze erg veel kinderen hadden en geen hulp. ‘Ga daar maar eens een hortje* helpen’ zei ze dan. Je verwachtte daar geen geld of wat anders voor, het was gewoon burenhulp.” De schoolkinderen van het Eeneind liepen samen naar Nuenen: ,,We liepen ‘s morgens om 8 uur aan. We namen de boterhammen mee. De kinderen die veraf woonden, mochten bij de zusters overblijven. Rond een uur of vijf waren we weer thuis. 

In de winter, als er sneeuw lag, namen we een stel droge kousen mee. De zusters droogden de natte kousen bij de kachel. We droegen altijd zwarte kousen, ze kwamen tot boven de knie. Je hield ze met een kousenband op. We droegen zomer en winter lange kousen.  Blote benen waren er niet bij, blote armen trouwens ook niet.  Ik heb tijdens mijn jeugd ook nooit een vrouw gezien met een lange broek aan. Wij droegen altijd een jurk van bonte stof met een schort erover. We liepen op zwarte klompen. Met Sinterklaas kreeg je wel eens klompen met een vogeltje erop geschilderd. De klompen versleten snel, omdat je ze altijd droeg en soms gooide je er ook wel eens een kapot. Als je naar school ging had je een gebreide muts op. Naar de kerk droeg je een hoedje. Ik kreeg mijn eerste hoedje toen ik mijn Eerste Communie deed. Mijn moeder naaide niet zelf. We lieten onze kleren meestal maken bij Trien van Maasakkers. 

Ze woonde onder de Lindeboom, waar Bertje Coolen later een café heeft gehad (nu Beekstraat 1). Vroeger was het een gewoon woonhuis. De man van Trien, Jan, maakte kuipen. Je kreeg niet vaak nieuwe kleren, je moest het er maar mee doen totdat ze echt te klein waren of tot op de draad versleten.” Soms werden er nieuwe kleren in de stad gekocht: ,,Dat was een feest. We stapten bij het station op het Eeneind op de trein. Voor je goed en wel zat, was de trein al in Eindhoven. Bij het station Eeneind was een koffiehuis. Later zijn er mensen in gaan wonen, maar toen ik klein was, was het nog een soort café.”

Beekstraat 35 Gebouwd in 1893 door Louis van Rooij en herbouwd in 1984 als dubbel woonhuis. Koperen gedenkplaat links van voordeur. Werd bewoond door 3 generaties Coolen.

,,De gewone boodschappen deden we bij Schellens, die hadden de winkel aan de Eeneindseweg, naast het spoor. We kochten er suiker, koffie, thee, zeep, soms krentenmik, peperkoek of speculaas. Veel meer verkochten ze niet. Dat was ook niet nodig, want je had alles zelf. Nu verkopen ze het hele jaar door appels, vroeger was er na Kerstmis geen appel meer te krijgen.” De steenfabriek was voor Nelleke alleen interessant als het gevroren had: ,,Later, toen ik zelf kinderen had, werd in de leemkuilen gezwommen. Daar zouden wij niet aan gedacht hebben. Dat deed niemand, ook niet in het kanaal. Zwemmen was gewoon te gevaarlijk, zeiden ze. In de winter kon je in de leemkuilen heel fijn glijden. Het waren grote diepe kuilen met heel mooi, glad ijs. Er waren een paar kinderen die schaatsen hadden, maar met alleen baantjes glijden had je ook het grootste plezier.”  Nelleke denkt dat ze een jaar of tien was, toen het Eeneind werd aangesloten op het elektriciteitsnet: ,,Er werden hoge palen gezet en daartussen werden de kabels gespannen. Alles boven de grond. We kochten een radio toen we stroom hadden. Verder hadden we de elektriciteit alleen nodig voor de lampen.”

Na haar schooltijd bleef Nelleke gewoon thuis. Met vader en moeder werkte ze op de boerderij of in huis: ,,Wat je tegenwoordig niet meer ziet is het zand strooien. Overal lagen plavuizen, rode of blauwe. Als we die geschrobd hadden, strooiden we er fijn, wit zand over, ‘zanden’ noemden we dat. Sommige mensen maakten er mooie figuren mee. Ik denk dat het zanden gebeurde om de stenen op te schuren.”

Melkcursus 1932: Deelnemers aan de melkcursus voor jongens, gemaakt in de wei van Van Nuenen in de Beekstraat. We zien, van links naar rechts, op de eerste rij: Jantje van Tien, Piet Coolen, Johan Raaijmakers, Albert v.d. Velden, Harrie v.d. Velden en Willem Hendriks. Op de tweede rij: Jantje van Nuenen, Bert Coolen, Toon Coolen van de melkfabriek, Willem van Deurzen, J. van Rooij, Johan Knoops, een instructeur van de melkfabriek, Nard Coolen, Frits van de Water, Piet Bunthof, Helm Goossens, Marinus Maasakkers, Martien Goossens, Hannes v.d. Linden, Marinus de Louw, Louis Coolen, rijkszuivelconsulent Struijf, Bernard van Tien, Willems en Jan Vereijken.

Nelleke en Nard trouwden in 1938. In 1939 werd hun eerste zoon, Jos, geboren. Voor het jaar om was, kwam de tweede. Bijna elk jaar kwam er een zoon bij en in 1954 maakte Frans het jongenselftal compleet. Groot was de verbazing, toen in 1955 Marianne geboren werd: ,,Alleen bij de negende had ik stiekem op een meisje gehoopt. Later dacht ik, dat een meisje voor mij niet weggelegd was. Ik had er niet meer op gerekend, maar ik was er natuurlijk erg blij mee! Voor die tijd was ik lang de enige vrouw tussen dertien mannen, want mijn moeder was al gestorven toen wij vier jaar getrouwd waren. Mijn vader leefde nog wel, toen ik elf zonen had. Het was een echt mannenhuishouden hier.”

Beekstraat 32 Voormalige boerderij van Nard Coolen, nu bedrijfspand met verschillende bedrijven 

De oudste zoon Jos was 18 jaar toen zijn derde zusje geboren werd. Nelleke somt de namen van haar kroost op: ,,Jos, Toon, Jan, Leo, Marie, Peter, Paul, Sjaak, Tinus, Louis, Frans, Marianne, José en Leentje.” Nelleke heeft geen moment spijt gehad van haar grote gezin: ,,Het gebeurde vanzelf, je had er geen erg in. In de Beekstraat woonden meer jonge gezinnen met veel kinderen. Het was druk, maar erg gezellig. Onze kinderen hebben een veel gezelliger jeugd gehad dan ik zelf.”

,,Echt werken kon je bijna niet met zoveel kleintjes. Ik liet ze wel twee jaar in de box, dan had ik nog een beetje mijn handen vrij. Ik sprong alleen bij noodgevallen bij op de boerderij. Ik kende het boerenwerk, maar ik had mijn handen vol aan het huishouden. Eerst had ik een paar dagen in de week een werkster, later kwam er een vaste dienstbode. Maar toen we tien kinderen hadden, kon ik geen werkster meer vinden. Niemand had er zin in om in zo’n groot gezin te werken. Een nicht van ons, Jo van Piet van de Linden, is me daarom jarenlang twee dagen in de week komen helpen. Een dag voor de was, een dag om te poetsen. Ik ben haar er nu nog dankbaar voor!” Tegenover Nard en Nelleke kwam Piet Coolen te wonen: ,,Nard kocht de boerderij waar we al woonden, zijn broer Piet kocht het ouderlijk huis. De kinderen van Piet waren van dezelfde leeftijd als de onze. Ze zijn samen opgegroeid. Nard en Piet werkten ook veel samen. Het was soms net één huishouden.” Nelleke gaf alle jongens hun eigen taken: ,,Dat ging goed. Ze moesten er ‘s morgens op tijd uit, de groten moesten de kleintjes helpen. Afwassen, afdrogen, tafel dekken, de jongens moesten het allemaal. Toon moest de tafel afruimen en boodschappen doen. Hij liet eens de borden vallen, allemaal kapot. Ik heb gezegd dat hij maar blikken borden moest gaan kopen. Daar hebben we jarenlang van gegeten. We aten altijd samen, aan een grote lange tafel. Gewoon, pan op tafel, iedereen z’n eigen bordje, niet moeilijk doen.” De blikken borden deden ook dienst met Sinterklaas: ,,Dan zette ik de bordjes op een rij in de gang. Op elk bordje kwam een kleinigheidje, een bromtol of een bouwpakketje, daar waren ze tevreden mee. Het was een mooi gezicht: veertien bordjes op een rij in de gang.”

Het gezin van Nard en Nelleke Coolen. Vlnr: Paul, Sjaak, Frans, Peter, Marianne, vader Nard, Leentje, moeder Nelleke, Jan, José, Leo, Louius, Jos, Tinus en Marie

Over veel dingen die in Nuenen gebeurd zijn, kan Nelleke niet mee praten: ze kwam jarenlang nauwelijks de deur uit: ,,Naar de kerk ‘s zondags, dat deed ik nog wel. Verder was ik altijd thuis bezig. De oudste kinderen hielpen mee als de sacramentsprocessie werd gehouden. Het moet heel mooi geweest zijn, maar ik heb het nooit gezien. Nard was er wel altijd bij, hij is zestig jaar koorzanger geweest. Ik was bij de boerinnenbond, maar ik had bijna nooit tijd om er heen te gaan. Dat vond ik niet erg, hoor! Ik had plezier genoeg thuis!” De kinderen sliepen met z’n vieren op één kamer: ,,Dat ging prima, het lag wel overal vol. Later toen de jongens uitgingen, brachten ze kameraden mee, die soms ook hier bleven slapen. Die kwam ik ‘s morgens beneden tegen. Het ging allemaal zo gemakkelijk. Ik bleef er niet voor op, als ze nog niet thuis waren ‘s avonds. Ze konden altijd binnen, de achterdeur was niet op slot. Die deden we nooit op slot, iedereen liet de achterdeur open. Iedereen kwam ook achterom binnen, zelfs de pastoor. Ik zou niet weten waarom ze vroeger een voordeur hadden, ik denk omdat ze dat mooi vonden.”

Alle jongens zijn misdienaar geweest, alle jongens hebben gevoetbald: ,,De meesten hebben ook bij de voetbalclub gezeten. Ze hebben een keer een elftal gevormd en met z’n elven een wedstrijd gespeeld. Dan voel je je als moeder toch wel trots.” Nard en Nelleke vonden het belangrijk dat alle kinderen een goede opleiding kregen: ,,We hebben ze allemaal laten leren. Jos ging naar de landbouwschool, maar later is hij stukadoor geworden en is hij een eigen bedrijf begonnen.

Vijf jongens hebben we naar het Missiehuis Sparrendaal gestuurd, daar kregen ze een goede opleiding. Thuis leren ging niet, het was hier te onrustig om te studeren. Drie jongens zijn samen een tuinderij begonnen.

De boerderij kwam midden in de uitbreiding oost te liggen, de Smits van Oyenlaan kwam er rakelings langs. Ons bedrijf had geen toekomst voor de jongens. Daarom heb ik er ook geen moeite mee dat onze kinderen de boerderij niet overgenomen hebben. Ze hebben stuk voor stuk hun weg gevonden. Ik zie dat ze het allemaal goed hebben.”

In 1980 werd de boerderij verkocht. Nard en Nelleke verhuisden naar de Europalaan: ,,Ik zou niet terug willen naar de Beekstraat. De boerderij zou voor mij alleen veel te groot zijn, die was op zestien man berekend. We hebben er 42 hele goede jaren gehad, maar nu heb ik het hier naar mijn zin.”

Toen Nard en Nelleke de boerderij hadden verkocht, kregen ze tijd om te gaan reizen. Naar Rome, naar Lourdes, naar Canada waar een paar kinderen zijn gaan wonen: ,,We genoten ervan!  Nadat Nard was overleden in 1986, ben ik alleen gegaan. Wie had dat vroeger ooit gedacht: ik, moeder van veertien kinderen, naar Honduras! Het was de reis van mijn leven, ik heb zo veel gezien en  meegemaakt. De grootste rijkdom, de ergste armoede. De mooiste natuur.”

De achterzijde van het missiehuis Sparrendaal te Vught

Nelleke krijgt niet veel tijd om zich te vervelen. Ze wordt ingeschakeld als vaste oppas bij de kleinkinderen. Ze doet dat met plezier. Ze breit sokken voor haar kinderen en kleinkinderen. Regelmatig krijgt ze kapotte sokken mee om te stoppen. ,,Als ik alleen ben, ga ik soms dozen foto’s of bidprentjes zitten kijken. Dat moet ik eigenlijk niet doen, want dan ga ik teveel nadenken. Ik ben niet graag alleen. Als ik boodschappen ga doen blijf ik meestal lang weg. Ik ken heel veel mensen, ik maak graag een praatje. Ik heb de tijd aan mezelf.”

Bidprentje van Nelleke Coolen-Kuijten

Nelleke heeft inmiddels 30 kleinkinderen: ,,Mijn eigen gezin heeft zich uitgebreid tot 58 man, ‘eigen volk’ noem ik dat. Als ik jarig ben, komen ze allemaal. Het komt goed uit dat dat in juli is, want dan zijn er altijd wel een stel op vakantie.” Nelleke heeft nog plannen: “Als ik zo goed van gezondheid blijf als ik nu ben, ga ik in weer naar Canada. Ik mis mijn kinderen die daar wonen.”

Dit artikel is afkomstig uit het boek “Nuenense herinneringen”, een stukje Nuenense geschiedenis, verteld door 24 Nuenenaren, geschreven door Jeannette Daamen (1994)